The Harvest: Paneldiscussie

Post Image

Naast de keynote van Jane McGonigal was er nog een interessant schouwspel tijdens het slotevent van Growing Games. Na een terugblik door Mir Wermuth en Christel van Grinsven werd een paneldiscussie geïntroduceerd. Vijf experts op het gebied van applied games voeren een dialoog waarin besproken wordt we nu staan, wat er leeft en hoe de toekomst van applied games er uit ziet in Nederland.

Een van de vijf panelleden is Marlies Schijven. Naast hoogleraar Chirurgie en werkzaam bij het Academisch Medisch Centrum, ontwikkelt en verricht ze onderzoek naar valide toepassingen van applied games in de medische sector. Loren Roosendaal deelt zijn kennis door zijn ervaring als oprichter en CEO van IC3D Media, een Software & Interactive Design Studio. Aangeschoven is ook Willem-Jan Renger, hoofd van de HKU Innovation studio en tevens programmaleider Applied Game Design. Daarnaast zit Tim Laning, mede-oprichter van Grendel Games, in het panel om zijn visie te delen. Deze visie onderbouwt hij met zijn ervaring uit zijn bedrijf, dat zich voornamelijk focust op het ontwikkelen van applied games. Het vijftal is compleet met Roy van Bussel, projectleider serious games bij Kenteq.

 

Veranderende markt

De discussie, geleid door Mir Wermuth, snijdt onderwerpen aan als ondernemerschap en onderwijs. Willem-Jan Renger ziet dat er een groter aanbod is dan capaciteit in de markt. Op de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) werd gamedesign gegeven vanaf 2001. Op een gegeven moment werd het heel populair, waar andere opleidingen op inspeelden. “Wanneer je een jongetje van zeven jaar vraagt wat ‘ie wil worden als ‘ie groot is, is tegenwoordig de kans groot dat ‘ie gamedesigner zegt waar vroeger politieagent of astronaut werd gezegd.”

Renger vindt het belangrijk dat ondernemerschap meer wordt ontwikkeld. Het ontwikkelen van de business-kant is zeker zo belangrijk als de creatieve kant. Hij denkt ook dat veel gamedesigners er behoefte aan hebben. Zij willen doorgaans het beste en mooiste maken dat zij kunnen, waar vaak nog niet wordt nagedacht wat de markt nu echt wil. De mix tussen die twee aspecten is een andere passie, een die wel nodig is.

 

Nieuwe lichting

Verbaasd is Tim Laning over het niveau van sommige onderwijsinstellingen. Mensen die voor de klas komen te staan, zonder relevante kennis die ze over kunnen dragen en zonder ervaring in de industrie. Zo geeft hij een voorbeeld over een stagiair die bij hem kwam werken. De jongen kreeg op school programmeren, modeling en animatie, allemaal gegeven door één dezelfde docent. Laning geeft aan dat de kennis die je dan krijgt veel te basaal is. De kwaliteit van veel opleidingen zijn te laag. Hij is het eens met Renger, er mist ondernemerschap.

Ook Loren Roosendaal beaamt dat het niveau van studenten niet altijd goed is. De meeste stagiaires die hij over de vloer krijgt, blijven ongeveer een jaar stage lopen. In dat jaar groeien ze naar het niveau toe. Roosendaal heeft hier en daar wel eens een stagiaire gebroken en opnieuw opgebouwd. “Je moet ze de ogen openen dat ze nog weinig weten.”

 

Twee talen

Wanneer er wordt gevraagd over specialisering in de applied game-sector wordt er gezegd: “Als een applied gamebedrijf is het goed als je kunt zeggen, ik ben gespecialiseerd in het onderwijs of in de zorg.” Omdat dit kwaliteit, diepgang en de samenwerking met die partijen een boost kan geven. Je moet het je wel kunnen permitteren om je bedrijf te specialiseren, op een manier waarin je er ook nog je brood aan kunt verdienen. Er moet voldoende vraag naar zijn voor je jezelf specialiseert.

Mir Wermuth vraagt aan Marlies Schijven hoe zij als opdrachtgever kijkt naar haar manier van samenwerken met gamebedrijven. Schijven spreekt beide talen, zowel die van de gamesindustrie als die van de medische wereld. Ze kan zich daarom goed in beide werelden verplaatsen en geeft aan dat het belangrijk is om begrip te tonen. De gamesindustrie is dynamisch en wil snel verder komen. Maar wanneer je met ziekenhuizen samenwerkt moet je de regels van de medische wereld respecteren en aanvaarden dat zorg voor patiënten prioriteit is. Ze geeft aan dat game-denken in het ziekenhuis waar ze werkt al verankerd is.

Roy van Bussel is ook iemand die snapt hoe programmeurs en gamemakers denken. Hij is er van overtuigd dat kennis en ervaring nodig is om goed opdrachtgeverschap te kunnen vervullen tussen twee verschillende takken van sport. Soms combineren deze niet en is juist die combinatie een succes. Het zijn verschillende talen, dus iemand die beide talen spreekt is handig en kan juist tot mooie dingen leiden. Dit heeft hij zo ervaren bij Kenteq, een stichting die bedrijven helpt bij het ontwikkelen van specialisering van technisch personeel.

 

Duurzame toekomst

De paneldiscussie wordt afgesloten door de visie van Loren Roosendaal. Hij ziet dat er een hoop bedrijven zijn die ‘iets met gaming doen’. Hij zegt: “Als we er na de hype een duurzame industrie van willen maken, moeten we zorgen voor meer consistentie qua businessmodel. Niet alles hoeft in een game jasje gestoken te worden. Het gaat erom dat je heel goed beseft welk probleem je aanpakt, welke kennis en kunde je daarbij kunt toepassen en hoe je daarmee (duurzame) resultaten boekt. En als we producten ontwikkelen die aantoonbare, meetbare en continu resultaten boeken, dan kunnen we een duurzame industrie opbouwen. En ik denk dat daar een hele hoop nog aan te doen is in de Nederlandse gamesindustrie.”